een dunne laag ijs ... Présence is een klassiek pianotrio (viool, cello en piano) gecomponeerd in 1961 door Bernd Alois Zimmermann in opdracht van de Darmstädter Ferienkurse. De ondertitel die het werk meekreeg, 'Ballet en cinq scènes', laat ten onrechte vermoeden dat het werk voor een choreografie bedoeld is. Het gaat hier echter om een denkbeeldig ballet, een irreële pantomime waar de gedaantes van drie literaire personages opduiken: Don Quichotte, de adellijke danser, een rol voorbehouden aan de vioolpartij; Molly Bloom, de heldin uit de 'Ulysses' van James Joyce, hier de primaballerina met masker en tutu, door de cello vertegenwoordigd, en koning UBu, het centrale personage in het toneelstuk van Alfred Jarry, de koninklijke danser met een tapirhoofd, vertolkt door de piano. Dit werk is een schoolvoorbeeld van het pluralisme in het werk van Bernd Alois Zimmermann: een uitgesponnen polyfonie, verschillende eeuwen muziekgeschiedenis die door elkaar lopen, een heel diverse woordenschat en verschillende tempo's of kwaliteiten van tijd. Het ideaal van een componist wiens werk van eenheid naar verscheidenheid overhelt met een intuïtie voor de zuivere duur en de spiraal van de tijd; een bewustzijn dat gegroeid is na het overvloedig lezen van auteurs als Bergson, de Heilige Augustinus, de Duitse theoloog-mysticus Meester Eckhart en ander mystici uit het Rhijngebied. In 1966, Enkele jaren na het componeren van 'Présence', ontstond het verbijsterende "Musique pour les Soupers du roi Ubu" ondertiteld “Ballet Noir”: een meesterwerk van virtuoos sarcasme en de eerste remix in de muziekgeschiedenis. De “Soupers” braakten een overvloed van citaten uit, van Bach tot Stockhausen en gelden als de euforische en bijtende pedant van het eerder melancholische en expressionistische 'Présence'. Ook in 'Présence' valt de grote diversiteit op van het gebruikte materiaal: walsen, walking basses, citaten uit werk van Prokofiev, Richard Strauss, Debussy, en Stockhausen (al in die tijd!, Stockhausen was de baarlijke duivel voor Zimmermann, zijn private koning Ubu). Deze thematische massa wordt hier bijeengehouden door een zeer beheerste seriële techniek. Een twaalf tonen reeks ligt aan de basis van dit werk op een heel gebruikelijke manier: aan elke toonhoogte is een welbepaald register toegekend (hoog-laag); wat wil zeggen dat in elke seriële episode een welbepaalde noot in hetzelfde register én met dezelfde klankkleur voorkomt. Deze obsessie voor een statische harmonie is bijzonder goed te horen in de piano partij, waarin de wervelende loopjes roteren binnen een overvloedig pedaalgebruik. Maar hoewel het stilistische eclecticisme verzacht wordt door het statische van de harmonie, wordt het tegelijkertijd versterkt door het regelmatig afbreken van de continuïteit (het gaat hier van de hak op de tak zoals in een hallucinerende diashow). Een breed palet van ademhalingen, aarzelingen, stiltes en orgelpunten van uiteenlopende duur perforeren de partituur en maken ze breekbaar. Zo ook zoekt de muziek een evenwicht tussen enthousiasme en ontzetting. “Présence, zo schreef de componist, is zoals de breekbare ijslaag waarop we ons wagen; maar op het moment we nog een seconde respijt denken te hebben voor de laag breekt, is het ijs al gebroken en er is geen land in de verte meer te bespeuren.” ”Is Schönberg dan verder gegaan als Bach ? En Webern verder dan Josquin? ”, Dit vroeg Zimmermann zich af in een tijd waarin het woord geschiedenis nog beladen was met een sterke vitaliteit. Laurent Feneryrou geeft hier als volgt commentaar op (1): "Tegen het sterfelijke in droomde Bernd Alois Zimmermann van een eeuwigdurend heden, geïnspireerd op de steeds stabiele eeuwigheid van de Heilige Augustinus, van een nunquam stantibus, daar waar de tijd zich opent. De harmonische stabiliteit en het gebruik van symmetrie annuleert elk spoor van een lineaire opbouw, op zoek naar een ontwikkelingsspiraal die een innerlijk en meditatief karakter oplegt. De geritualiseerde tijd, verwierf een morele, liturgische en zelfs apocalyptische dimensie. De werken uit de jaren zestig legden nog sterk de nadruk op de duur, de absolute tijd en de Zeitdehnung (het uitdijen van de tijd). Dit aspect van de oneindige duur zag Zimmermann reeds opduiken in de Mozartiaanse perfectie. Als de tijd het verleden, het heden en de toekomst dwingt tot een zekere doorlaatbaarheid, scheidt in onze geest nog enkel een dunne laag ijs het heden van het verleden. Ze lopen door elkaar. De filosofie van Zimmermann vindt zijn oorsprong in de 'Konfessionen', waarin de Heilige Augustinus praat over de onoplosbare contradictie in het ervaren van de tijd. “Noch de toekomst, noch het verleden bestaan. Het heden van de verleden, dat is geheugen: het heden van het heden, dat is onmiddellijke intuïtie, het heden van de toekomst, dat is de verwachting.” (Konfessionen, boek IX). Het heden, beleefd als de tegenwoordigheid van de tijd, hecht geen belang aan stijl maar doelt op een andere muzikale waarheid.” De partituur van Présence ontvouwt zich als een bloemlezing van raadsels. Het partituurbeeld dwingt de muzikanten tot het lezen van een verzameling van gebeurtenissen, van fragmenten (samples). Geen enkel van de delen staat op zich: elk deel heeft zijn eigen technische, ritmische, sonore of expressieve uitdaging. Het is aan de drie uitvoerders om elke vraagstelling te assimileren, ze te smaken, en er een antwoord op te formuleren, binnen een grote boog, in uitgedijde tijd van het “Ballet Blanc” waar alles met elkaar is vermengd is, onder hetzelfde pak sneeuw. Jean-Luc Plouvier (1) Laurent Feneyrou, "Défense et illustration du discontinu", lezing aan het l'IRCAM, 2003 | ||